Mas des Chimères – “Caminarem” 2012

I confess: I have fallen in love with Languedoc-Roussillon. Because of the region, its climate and its spectacular scenery. Because of the increasingly excellent wines that are being produced there. And maybe its status of underdog and its (former) bad reputation as an uninteresting, bulk-producing region also have to do something with it; when we think French fine wine, we think Bordeaux, Bourgogne, Champagne, Loire, and perhaps Rhône and Alsace, but rarely will Languedoc pop up in that list (at least when drawn up by outsiders).

The region is, alas, not doing itself a favour by creating or maintaining an AOP system that takes quite some time to be understood. The Languedoc system does however bear some resemblance to the Côtes-du-Rhône-Villages, in the sense that there is a generic appellation  (AOP Languedoc, formerly “Coteaux du Languedoc”) valid across the region (not the Roussillon), with some villages or zones allowed to add their name (e.g. AOP Languedoc – Grès de Montpellier), and some that have become a “cru” in their own right. A recent and very good example of this last category is “Terrasses du Larzac”, which brings me to the topic of this post.

Terrasses du Larzac is at the Western edge of Languedoc, away from the hot coastal plains where the focus is on volume, at quite high altitude (up to 800m) and with a mix of red clay (“ruffe”) and limestone soils. Its climate is more continental (being further away from the sea), and the average annual rainfall is slightly higher here. The height brings wide diurnal temperature ranges and cool nights, ideal for a slow and long maturation. Terrasses du Larzac has become one of the most sought-after AOPs in the Languedoc.

IMG_2119[1]

The wine discussed here comes from the Mas des Chimères, situated in Octon, close to the lake of Salagou. The estated is certified organic, and produces a range of wines from IGP level up to AOP Terrasses du Larzac.

This “Caminarem” is composed of fairly equal shares of carignan, cinsault, grenache, syrah and mourvèdre. It is still fairly young (vintage 2012), and upon opening appears quite disjointed. There is some very nice fruit and garrigue spice there to be sure, and the alcohol (13,5%)  is well balanced, but somehow it seems to lack integration. What a marvellous surprise on the second day, when everything has fallen into its place: the wine has unleashed its full garrigue bouquet of lavender, laurel and thyme, alongside juicy dark cherry fruit and some licorice. Its tannins are mature and very fine-grained, with just a little savoury bitterness in the finish. It lingers on for a long time. A delight to drink now, but those who wait for it a few more years will undoubtedly be rewarded. I’m getting a few more bottles, in any case.

Sold at a price of 13€ by Passion for Wine, Place Colignon, 1030 Schaerbeek (new discovery, recommended! sells a range of organic and biodynamic wines from France, Spain and Italy)

 

 

De wijn, en niet het etiket laten spreken

Verslag van een blinde proeverij met de Vereniging van Vlaamse Sommeliers (VVS) – 16 december 2015

We weten het: bij een “normale” proeverij zijn er talloze veronderstellingen, aannames en vooroordelen die ons beïnvloeden. En dat is des te meer het geval naarmate onze kennis groeit. Denken we niet allemaal aan Kimmeridge wanneer we een goeie Chablis proeven, of aan de vulkanische ondergrond bij het nippen aan een Taurasi, in die mate dat we de bodem menen te moeten kunnen proeven? Iemand vertelde me ooit een sommelier in de maling te hebben genomen door hem twee glazen van dezelfde wijn voor te schotelen, met de vraag de verschillen tussen beide te bespreken – meteen is er al de aanname dat die verschillen er moeten zijn, dus gaan we ernaar op zoek, en we vinden ze nog ook. Bekend is het experiment waarbij witte wijn rood wordt gekleurd met een geur- en smaakloze kleurstof: de proefnotities gaan meteen richting rood en zwart fruit.

Daarom is blind proeven altijd een confrontatie met onszelf, maar ook een belangrijke nuancering van het idee dat er zoiets bestaat als totale uniciteit in wijn. Wijnschrijver Stefaan Soenen maakte recent de vergelijking met een menselijke stem waarvan het timbre uit duizenden te herkennen valt, zoals die van Sting. Is dat haalbaar in het geval van wijn? Het antwoord is meer dan waarschijnlijk neen, althans niet op gustatief niveau. We kunnen druif en klimaatzone met wat geluk nog thuiswijzen, al zijn er zelfs wat dat betreft verrassingen: de Franse experts van het Judgment of Paris (1976) waren er bij de opmaak van hun rangschikking vast van overtuigd dat ze Franse wijnen op het hoogste schavotje hadden geplaatst, quod non.

Hoe blind is blind? Sommigen wisten niet dat het eerste (zwarte) glas reeds wijn bevatte, en begonnen net iets te enthousiast te walsen – meteen was er wat licht in de duisternis. De overige 14 wijnen kregen we in een transparant glas, uit een karaf geserveerd. Maar we hadden twee coaches, die soms niet eens de tijd kregen om hun paplepel vast te nemen, en soms overvloedige hoeveelheden van die pap moesten toedienen om het weifelende gezelschap tot een oplossing te brengen. “Is er een verschil in de gebruikte eiksoort voor deze twee wijnen?” luidde een vraag. “Wellicht wel, anders zou je het niet vragen”, was een antwoord.

Het boeit mij om bij zulke gelegenheden de groepsdynamiek te observeren. Sommigen, waaronder ondergetekende, komen bij gelegenheid onvervaard de loopgraven uit, om vervolgens eervol te sneuvelen. Maar soms treffen ze ook doel. Anderen aarzelen, ruiken, proeven, twijfelen nog steeds, ruiken opnieuw, en beslechten dan het debat met één rake zin. Was spreken nu zilver of goud?

VVS blind 2

Zaak is in elk geval je niet te laten vastpinnen op één idee of waarneming, en de conclusie zo lang mogelijk uit te stellen. Maar je moet ook eens goed op je bek durven gaan, vind ik. Bepaalde druiven waren heel goed getypeerd: weinigen vergisten zich in de nebbiolo. Bij andere werden fruit en terroir wat overstemd door (naar mijn mening) onoordeelkundig gebruik van eik. Hieronder een kort overzicht van de 5 “flights” van drie, zonder voor elke wijn in detail te gaan:

Flight 1: een Bourgondiër en twee Oostenrijkers

De Bourgogne in het zwarte glas was best wel snel geëvolueerd, met duidelijke tertiaire tonen in de neus. Wijnen 2 en 3 waren veel jeugdiger. Ik had gezworen dat de tweede een gamay was: fruitig, floraal en soepel met intens paarse rand. Het bleek een zweigelt, geflankeerd door een meer complexe en krachtige blaufränkisch, beide uit Burgenland.

Flight 2: Zuiders, maar hoe zuiders precies?

Over de laatste wijn van de drie was het minst twijfel: weinig intense en al wat vervagende kleur (oranje rand), maar niettemin robuuste tannines en een aromatisch palet dat zeer goed aansloot bij nebbiolo. Dat bleek te kloppen (DOC Roero). Anders was het voor de twee eerste. Zelf zat ik voor de eerste in de nieuwe wereld, die later Portugal bleek te heten. Alentejo, dus toch vrij warm. Een paar proevers haalden er de tempranillo uit. Voor de tweede wijn kregen we de tip mee dat het Portugal of Italië moest zijn. De oplossing, een barbera d’Alba, lag allerminst voor de hand, al spoorde het wel met de hoge zuren.

Flight 3: GSM-tonen

We zaten hier duidelijk op het warme, kruidige spectrum, waarbij de eerste evenwel wat meer zuren had – de sleutel om richting noordelijke Rhône te denken (Crozes-Hermitage). De tweede verried in de animaal getinte afdronk een aanzienlijke dosis mourvèdre (Bandol), terwijl de derde de warmste impressie gaf: een Corbières met redelijk wat carignan in de blend.

Flight 4: de cabernet brothers

De eerste wijn, met uitgesproken vegetale toetsen, was voor mij overduidelijk een cabernet franc, wat anderen betwijfelden omwille van de verbazend lichte kleur. Toch ging het om een St-Nicolas de Bourgeuil. Daarna volgden twee blends met in hoofdzaak cabernet sauvignon. De laatste toonde uitgesproken pyrazines (groene paprika) in de neus, samen met die rokerige toets typisch voor Zuid-Afrikaanse cabernet sauvignon. In de tweede moest het druifkarakter wat gezocht worden achter de (m.i. iets te dominante) eik: Haut-Médoc 2010.

Flight 5: krachtpatsers uit de oude en de nieuwe wereld

Logischerwijs werden de krachtigste wijnen tot het laatst bewaard. Velen zaten vrij snel op het malbec-spoor, wat althans voor wijnen 2 en 3 bleek te kloppen. Eens we dat wisten, was het niet moeilijk te raden welke uit de nieuwe wereld kwam: de derde had meer alcohol, geconfitureerd fruit en wat minder zuren. Zijn evenknie uit Cahors was wilder van aroma’s (beetje brettanomyces) en minder toegankelijk. De eerste wijn van deze flight bleek een Rioja reserva, 100% tempranillo.

De volledige wijnlijst staat hier.

VVS

 

 

 

 

Top Burgundy: the sequel

In an earlier post, I shared some thoughts on a spectacular Burgundy GC tasting in August. I was not anticipating to replicate the experience any time soon, but the occasion came unexpectedly. Burgundy aficionado Willy Daelemans from Epivino in Grimbergen regularly organises extensive tastings of top end Burgundy, one of which I attended last week.

While we were mainly tasting young wines here too, we ended with a series of mature red grand crus, which confirmed what I had written in the other blog post: it is hard to evaluate the true quality of great Burgundy when it’s young. Only after long bottle ageing, especially for the better vintages, does it fully reveal itself.

The evening started off with 6 whites. The first, a generic Bourgogne AOC, had a Chablis-like minerality combined with ripe, almost exotic fruit and quite some heat on the palate. It turned out that part of the grapes for this wine are sourced from Chablis, and part from the Maconnais, the southernmost region in Burgundy. It failed to impress, though, especially at a price of 19€: lack of freshness and not so well integrated alcohol.

It was mostly uphill from there, fortunately. The second wine admittedly had a bit too much oak, but the third (a Meursault villages – 38€) was dense and poised, with a long finish.

IMG_2099We then got to compare the three most reputed “premiers crus” of Meursault: Charmes, Genevrières and Perrières. The quality difference was much less outspoken here than in the first flight. The Charmes won perhaps, but it was a close finish with the Perrières.

Next up: ten reds from Pascal Marchand. This visionary winemaker and “micro-négociant”, originally from Québec, arrived in Burgundy in 1983, and after some wanderings in the southern hemisphere, returned to it in 2006, setting up a négoce and attracting investment by Ontario banker Tawse (see this article for some background info).

Marchand has a distinct and very consistent style, striving for elegance more than power, yet with quite some extraction. The 2011 GC Corton was a pure delight – to drink soon, as it has evolved quite rapidly: small red fruit, hints of leather, mushroom and sous-bois, with extremely refined, velvety tannins and a long silky finish. The 2010 Corton will be more long-lived and had still young and vibrant fruit.

Only one disappointment here: the Pommard épenots 2010 made a rather tired impression, lacked complexity and had excessive levels of volatile acidity (nail polish aromas).

The disappointment faded soon enough with the grand finale that awaited us, starting with a delicious Griotte-Chambertin 2004 (Marchand frères): a feast of leather, tobacco, red fruit, and a distinct animal note, making it perfect for the game season. Though 5 years older, the 1999 Charmes-Chambertin (Nicolas Potel) had a lot of potential still, with an amazing freshness after 15 years of bottle life. An interesting pair was the Échezeaux 1994 and 1995 (Mugneret-Gibourg). Although 1994 is reputedly the lesser vintage of the two, it clearly outperformed the 95 (drying tannins, faded fruit) on this occasion.

The oldest bottle was saved until the end: a superbly matured Charmes-Chambertin 1989 (Geantet-Pansiot), showing the true potential of pinot noir and Burgundy. If I want pinot that is approachable and charming early on, I would most likely look elsewhere, notably Germany or New-Zealand. But there is definitely nothing that equals a mature Burgundy of a good vintage, made by a competent pair of hands.